Odysseus

 

Ik ben een schipbreukeling

en dit is de zee

die ik vrees.

Het reusachtige oog boven mij is bewogen,

tot tranen toe,

over de aard van het bestaan.

Mij gaan alleen mijn makkers en een strand wat aan,

en later misschien nog een vrouw, dat weet ik niet,

en een zoon.

En langzaam verdampt de zee

en word ik een held

en daarna een verzinsel.

Ik ben het mikpunt van een vreemde achterdocht,

tenzij ik nu beslis

en onverhoeds verdrink.

 

(Odysseus van Toon Tellegen, uit de bundel Daar zijn woorden voor, 2005)